'Een kind is een wordend mensch'

"een kind is een wordend mensch" schrijft Ida Heijermans bijna 100 jaar geleden. Hoewel ik het met die uitspraak niet eens ben (een kind is immers een mens, helemaal en volledig een volwaardig mens - Hij moet het niet worden) schreef Heijermans toen ook andere dingen over en voor kinderen die vandaag nòg steek houden . Ik schreef een kort biografietje over haar pedagogisch en literair werk. Die tekst (met verwijzingen) vind je hier.    

HEIJERMANS_Ida.jpg

De kinderschrijver behoort bewust of onbewust kunstenaar (…) te zijn

Wie de teksten van Ida Heijermans zelf wil ontdekken, kan ze op de website van dbnl (hier) terugvinden.

idaheijermans3.jpg

Ida Heijermans (1861-1943) werd in Rotterdam in een intellectueel Joods gezin geboren. Haar vader, van liberale strekking was journalist en redacteur bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Met zijn loon onderhield hij tien kinderen en een echtgenote. Ze hadden het niet breed, maar de kinderen studeerden verder en namen een geëngageerde rol op in de maatschappij. Ida Heijermans werd onderwijzeres in Rotterdam en in Den Haag. Ze was een bevlogen dame die er als pedagoge eigen denkbeelden op na hield en daarover ook ruim publiceerde. Ze schreef als journalist voor dezelfde krant als haar vader en was auteur van een tiental kinderboeken.

HEIJERMANSIda2.jpg

In ideologisch opzicht evolueerde Heijermans van een uitgesproken naar een gematigd feminisme en socialisme. Die ideologische voorkeuren waren ingegeven door haar focus op ‘gemeenschapszin’. ‘Meevoelen met de ander’ en ‘verbondenheid’ stonden in  Heijermans leven en werk centraal. Als feministe legde ze daarom de nadruk op de rol van het meisje als moeder en echtgenote. Zelfs het belang van lezen werd vanuit die invalshoek verklaard: “Wie leest, neemt de gedachten van anderen tot zich of wordt binnengeleid in de wereld van het gevoelsleven, door schrijver of dichter voor anderen ontsloten. Wie goed leest (…) zal willen meevoelen. Daardoor is lezen een genot. Het is het middel om met anderen in geestesgemeenschap te staan, zich met anderen mensch te voelen.”

Haar Joodse afkomst speelde nauwelijks een zichtbare rol in haar leven tenzij aan het eind ervan, toen zij door de Duitse bezetter expliciet met haar afkomst werd geconfronteerd, en aan het begin toen haar uitgesproken Joods uiterlijk haar een gevoel van minderwaardigheid zou hebben gegeven. Toch komt dit gegeven op geen enkel ogenblik in haar werk aan bod.

Heijermans de pedagoge

goede kindervertelling moet in haar soort eveneens een kunstwerkje zijn. Is zij goed, dan vinden alle kinderen ‘van zeven tot zeventig jaar’, haar mooi.”

Heijermans was een groot pleitbezorger van ‘leren door zelf te ondervinden’. Daarover schreef ze in verschillende vakbladen zoals De Gids, Het Kind, en De Vrouw. Ze contesteerde in haar teksten het eenrichtingsverkeer in het onderwijs waarbij kinderen worden volgegoten met nutteloze weetjes, en op die manier niet uitgedaagd worden om zelf na te denken en te leren oordelen. “Een kind is een wordend mensch” schrijft zij, en voor de school en haar opvoeders is een belangrijke taak weggelegd om het kind tot mens te maken door het te laten nadenken maar ook door het met kunst in aanraking te brengen. 

Haar pedagogische adviezen konden niet bij iedereen op evenveel bijval rekenen. Ze kreeg de wind van voren van Theo Thyssen die haar verweet “naar aanleiding van vervelende bedenkseltjes zedelijke boomen op te zetten tegen de kinderen.” Hij vond haar te zwaar op de hand en sprak haar in zijn rol van “gewone onderwijzer” aan op “heel die opzettelijke opvoederij in de school” en “het gebazel over al die mooie zaken”.  Hij gaf haar het advies te stoppen met dat “boomen” omdat het volgens hem enkel tot kunstmatig gemoraliseer leidde.

 

Heijermans over kinderliteratuur

Heijermans vindt de leesboeken die in de lagere school worden gebruikt ronduit slecht: slecht geschreven, te moeilijk of met een oninteressante inhoud.

Ook ‘lezen’ en ‘goede kinderboeken’ kwamen in menig artikel van Heijermans aan bod. Daaruit blijkt dat ze de leesboeken die in de lagere school worden gebruikt ronduit slecht vindt: slecht geschreven, te moeilijk of met een oninteressante inhoud. Ze schroomt daarbij niet haar collega-schrijvers met naam en toenaam te benoemen en hen wat tips te geven hoe hun teksten beter zouden klinken. Wat haar betreft is het niet iedereen gegeven om kinderboeken te schrijven: “De kinderschrijver behoort bewust of onbewust kunstenaar (…) te zijn” en de “goede kindervertelling moet in haar soort eveneens een kunstwerkje zijn. Is zij goed, dan vinden alle kinderen ‘van zeven tot zeventig jaar’, haar mooi.”

Een goed leesboek is volgens Heijermans een boek waarin een kind zichzelf en zijn wereld herkent, zonder dat het daarom een makkelijk boek is. Het moet zijn gezichtskring verruimen en nieuwe denkbeelden aanbrengen. Maar het allerbelangrijkste vindt Heijermans de taal. Die mag niet stijf en vreemd in de oren klinken, “het moet boven alles geschreven taal geven en geen schrijftaal. Schrijftaal is dor en dood en onwaar.”

idaheijermans4.jpg

Opmerkelijk is haar visie op moraliserende bijdragen in het kinderboek: “Het leesboek mag en moet dus moeilijk zijn door flinke grepen uit allerhand stof te doen, maar preeken, of ze moesten van den uitnemenden kinderkenner komen, hooren er niet in thuis en evenmin groote-menschen-ervaringswijsheid en evenmin proza of poëzie, slechts door ontleding en uit-elkaar-nemen te begrijpen." Er mag dus gemoraliseer voorkomen in een kinderboek, als het door een ‘uitnemend kinderkenner’ gebeurt. En daartoe rekende Heijermans zichzelf gewis, als we haar verhalen lezen.

 

De kinderboeken van Ida Heijermans

Het werk van Heijermans staat bol van de levenslessen, maar ze doet het op zo’n manier dat ze trouw blijft aan haar eigen pedagogische principes: de kinderen moeten de les zelf ontdekken en er hun conclusies uit trekken. De ervaringsgerichte methode vindt zijn weg dus ook in haar kinderboeken. Ze schreef er een tiental: van korte verhalen over sprookjes tot kleine romans.

Heijermans gebruikt, in de meeste van haar verhalen, en aantal weerkerende ingrediënten:

-        de setting in gegoede kringen: aan het hof of bij de welgestelde burgerij. Vraag is voor wie Heijermans die kinderboeken schreef, gegeven dat ze een goed kinderboek bestempelde als eentje waarin een kind zichzelf en zijn wereld herkent.

idaheijermans2.jpg

-        de afwezige ouder als narratieve techniek: het kind bevindt zich in een staat van ontreddering maar kan daardoor ook tot inzicht komen. Dat gebeurt bij Peter in Prins Peter (1909), maar ook bij Rolf uit De glazen bol en de blonde krulletjes (1920) en bij Melanie in Het kaarsemannetje (1916).

-        De moraal wordt onrechtstreeks tot de ‘dwalende’ kinderen gebracht via een verhaal in het verhaal. Een wijze volwassene houdt de kinderen een spiegel voor door ze een verhaal te vertellen waarin ze hun eigen situatie kunnen herkennen. Door middel van het verhaal ontdekt het kind zelf de goede weg en herpakt het zich.

-        Expressieve emoties, liefst onder de vorm van dikke tranen die niet alleen over de kinderwangen rollen, maar ook de volwassenen onverhoeds in de ogen springen.

-        Het gebruik van humor, niet zelden licht ironisch.

-        De frisse en beeldrijke stijl, waarmee ze haar eigen hoge eisen in verband met de zuivere taal gestand doet.

Invloeden op haar werk?

Vinden we naast het pedagogische aspect en de ‘preeken’ nog andere elementen in haar kinderboeken terug die haar leven hebben gekenmerkt? De socialistische overtuiging is terug te vinden in (aspecten van) het boek uit Tante’s jeugd (1916), waarin ze o.m. een luie kapitalist omringd met sprekende meubels. Ze vertellen hoe ze door het zweet en de arbeid van anderen tot stand kwamen en nu moeten toezien hoe hij lui niets doet. En het is allicht ook vanuit de socialistische overtuiging dat ze pro deo meeschreef aan het blad Ons Blaadje (1896-1908) dat door Nellie van Kol voor minder bemiddelde kinderen werd uitgegeven.

heijermansida.jpg

En de kunst in haar boeken? Ze schreef zelf dat een kinderschrijver een kunstenaar is. Over illustraties in kinderboeken daarentegen was ze eerst minder positief en haar mening daarover is pas over de jaren heen geëvolueerd tot ze in 1913 schrijft: “Zouden wij dan ook aan het kinderboek niet eischen mogen en moeten stellen, aan het aesthetische ontleend? (…) En met het kinderboek zijn wij wellicht in het eenige gebied, waar door het kind reeds naar alle kanten kan gegrasduind worden. Er zij slechts herinnerd aan de internationale verzameling van prachtige kinderboeken, op de tentoonstelling Kind, Kunst en School aanwezig, aan de talrijke teekeningen van binnen- en buitenlandsche kunstenaars, daar te zien. (…) Wat doet het er dan toe of dat kind hem nog niet geheel begrijpen kan, of er in tekst en teekening meer schoonheden zijn dan het kind nog vermag te ontdekken? (…) Zoo staat het kind ook tegenover het schoone kinderboek. Het geestige, gevoelige en fijne van alle teekeningen begrijpt hij nog niet; het diepe van allen tekst evenmin." Althans in deze tekst doet Heijermans toch uitschijnen dat het haar niet deert dat een kind niet alles begrijpt, en misschien doet het dat wel nooit helemaal. De kunst wordt hier geapprecieerd omwille van de kunst.

Samenvattend

Heijermans was een actieve dame die niet stil zat. Ze maakte haar ideeën en denkbeelden graag wereldkundig en deed dat vaak ongezouten en met overtuiging. Maar ze was er niet in vastgeroest. Naarmate ze ouder werd evolueerden haar inzichten: zo onderkende ze bijvoorbeeld hoe langer hoe meer het belang van kunst voor kinderen en ruimde ze plaats voor illustraties in kinderboeken. Haar werk kenmerkt zich door humor en een beeldrijke taal. Als ‘ras-pedagoge’ kon ze het niet nalaten haar kinderboeken van een levensles te voorzien, maar ze deed dat trouw aan haar eigen principes: de kinderen in het verhaal kregen de les niet ‘ingelepeld’ maar moesten de moraal zelf ontdekken.